Leugens

Toen Monica binnenkwam, was mevrouw Smit bezig de tafel te dekken voor het middageten.

‘Petra is boven,’ zei ze met haar hoofd in de richting van de trap wijzend. ‘Het is mij niet gelukt haar te kalmeren. Misschien kun jij het.’

‘Jeetje!’ Monica stormde de steile trap op en rukte de deur van haar kamer open.

Petra had haar grote koffer op het bed gezet en was bezig met pakken. Hoewel dat heel duidelijk was, vroeg Monica: ‘Wat ben je aan het doen?’

‘Ik pak mijn koffer in!’ antwoordde Petra geheel overbodig.

‘Maar waarom? Je bent er nog maar pas!’

‘Denk je dat ik in een huis blijf waar het spookt!’

‘Je bent niet goed wijs!’

Petra stoof op. ‘Ik mag dan wel een kleine krielkip en een lichtgewicht zijn zoals jullie altijd zeggen, maar ik ben niet gek! Wat ik met mijn eigen ogen heb gezien, dat heb ik ook gezien! Maak me niets wijs!’

Monica ging op het veldbed zitten, waarop ze die nacht geslapen had. ‘Maar wat heb je dan eigenlijk gezien?’

‘Die schop! Die schop die vanzelf bewoog!’

‘Ach, Petra, dat was toch maar een grap!’

‘Hou op me voor de gek te houden!’

‘Petra, het was maar een grap, echt waar! Je kent mijn broer toch wel ? Sinds we buiten de stad wonen, verzint hij zulke dingen.’

‘Dat is niet waar!’ Petra protesteerde, maar er klonk al wat onzekerheid in haar stem door. ‘Hoe kan hij dat dan gedaan hebben?’

‘Hij is in de kuil gesprongen,’ loog Monica zonder enig bezwaar, ‘toen we even niet keken. Hij heeft zich gebukt en de steel in het midden vastgepakt. We hebben de hele tijd alleen het blad en de handgreep gezien, waar of niet? Hij heeft gewoon die schop vanuit het midden laten bewegen.’

Dat klonk overtuigend en Petra twijfelde. ‘Is dat echt waar?’

‘Ja natuurlijk! Als je was gebleven, had je Peter uit de kuil kunnen zien klimmen.’

Nu ging Petra naast haar koffer op bed zitten. ‘Dan heb ik me wel dwaas aangesteld, hè?’

‘Welnee! Het zag er ook echt...,’ Monica zocht naar het goede woord, ‘...raar uit. En jij kon immers niet weten dat het Peter was.’

Petra begon te huilen.

Monica stond op en ging naast haar zitten. Ze legde haar arm om Petra’s smalle schoudertjes. ‘Zeg eens, wat is er met je ?’ vroeg ze meelevend, maar voor zichzelf wetend dat ze huichelde.

‘Ik ben zo ongelukkig!’

‘Maar waarom dan?’

‘Omdat je niets meer om me geeft! Ik ben toch altijd je beste vriendin geweest en nu geef je meer om Ingrid dan om mij.’

‘Dat is helemaal niet waar!’

‘Maar er is iets tussen ons gekomen, nee, zeg maar niet dat het niet zo is, want ik voel het heel duidelijk!’

Monica ademde eens diep. ‘Wat er tussen ons staat, is dit: ik wil gewoon de stal zo vlug mogelijk klaar hebben. Ik heb meneer Schoenmaker beloofd dat Bodo begin juni bij ons kan komen. Hij heeft gewoon rust nodig!’

‘En ik kan je daarbij niet helpen.’

‘Precies! Je bent niet sterk genoeg om goed mee te kunnen werken en daarbij wil je ook nog dat ik me met je bezighoud en je vermaak. Ik zeg het maar, zoals het is! En daar word ik gewoon een beetje kriegel van.’

‘Zal ik dus maar weggaan?’ vroeg Petra klaaglijk.

‘Nee, dat hoef je niet!’ zei Monica. ‘Maar ik heb het gevoel dat je het nu niet naar je zin hebt bij ons... dat je het niet leuk kúnt vinden. Wat heb je eraan de hele tijd bij het werk toe te staan kijken?’

‘Ik zou jullie limonade kunnen brengen of zo.’

Dat was wel waar, maar alleen al bij de gedachte dat Petra zou besluiten te blijven, liepen Monica de rillingen over de rug, omdat ze dan voortdurend tussen haar en Amadeus zou moeten laveren. ‘Je hebt wel gezien dat mijn moeder dat doet,’ verklaarde ze snel. ‘Nee, echt waar, Petra, het was niet zo’n goed idee van me, je uitgerekend nu uit te nodigen. Je moet eens terugkomen, als Bodo er is en alles klaar is! Dan zullen we het samen pas echt gezellig hebben!’

Petra keek haar van opzij aan. ‘Weet je dat zeker?’

‘Ja natuurlijk! We hebben het toch altijd prima met elkaar kunnen vinden? Dan kan toch niet veranderd zijn!’ En terwijl Monica dit zei, wist ze heel goed dat het niet waar was. Door de verhuizing waren ze uit elkaar gegroeid. Ze vond het zelf onbegrijpelijk en toch was het de waarheid. Maar die wilde ze Petra niet recht op de man af zeggen om haar niet nog ongelukkiger te maken. Ze zou het na verloop van tijd zelf wel inzien.

‘Mijn ouders... zijn er helemaal niet op voorbereid dat ik al terugkom!’

Dat was iets wat Monica aan het twijfelen bracht. Ze was bijna zover dat ze toegaf dat Petra beter bleef, toen ze zag hoe achter de rug van haar vriendin truien en broeken netjes op een stapel de koffer in vlogen en daar zachtjes terechtkwamen.

‘Amadeus!’ had ze bijna geschreeuwd, maar ze beet zich op haar lippen, hoewel ze niet verhinderen kon dat ze rood werd van schrik.

‘Zit daar maar niet over in, Petra,’ zei ze, terwijl ze zich ermee tevreden stelde de onzichtbare Amadeus een woedende blik toe te werpen. ‘Ik zal ze opbellen en hun de toestand uitleggen.’

‘En mijn koffer, hoe krijg ik die naar het station?’

‘Ik zal Peter vragen of hij je wegbrengt. Nee, echt, het is maar het beste dat je zo vlug mogelijk weggaat!’ Dreigend schudde ze haar vuist naar Amadeus, die ijverig doorging Petra’s koffer in te pakken.

Op dit ogenblik vloog juist haar beste jurkje vanuit de kast dwars door de kamer.

‘Wat doe jij daar nu?’ vroeg Petra verbaasd.

‘Ik? Niets! Ik rek me alleen maar uit...’ En heel duidelijk voegde Monica eraan toe: ‘Als dat niet onmiddellijk ophoudt, gebeurt er nog iets!’ Dat was voor Amadeus bestemd.

De jurk bleef een seconde in de lucht hangen en viel toen in elkaar op de grond.

‘Waarom schreeuw je zo tegen me?’ vroeg Petra.

‘Omdat dat gedoe van jou me op mijn zenuwen werkt!’ Monica sprong op, raapte de jurk op en legde hem in de koffer. ‘Wat geeft het nou dat je naar de stad teruggaat? Het is toch geen wereldreis! Liane en Peter gaan elke dag met de trein heen en terug.’

‘Maar je had me uitgenodigd!’

‘Ja, ja, ja, dat is waar! Maar je wist van tevoren dat we de stal moesten verbouwen. Je had ook wel eens kunnen zeggen, dat je daarbij niet mee kon doen!’

Petra keek haar vriendin verbijsterd aan. ‘Dus het is mijn schuld?!’

‘Ja, van wie anders?’

Petra begon onmiddellijk opnieuw te huilen.

‘Ach welnee!’ zei Monica. ‘Echt, je brengt me helemaal in de war! Het is jouw schuld niet en ik kan er ook niets aan doen. Het zijn gewoon de omstandigheden, snap je dat dan niet? Zo, huil nu niet langer en zorg dat je klaar bent. Ik ga Peter zoeken. En denk erom dat je je fatsoenlijk gedraagt!’ riep ze toen ze de kamer uitliep. Met haar handen maakte ze dreigende bewegingen in het rond.

‘Wat heeft dat nu weer te betekenen?’ schreeuwde Petra boos. ‘Heb ik me dan ooit niet netjes...’

Maar Monica luisterde al niet meer en maakte, dat ze beneden kwam.

‘Ik heb Petra gezegd, dat ze beter kan weggaan,’ vertelde ze haar moeder buiten adem. ‘Probeer nu niet haar tegen te houden, of dat ze eerst nog bij ons eet of zo. Amadeus is echt onuitstaanbaar. Als we niet meteen van haar afkomen, komt ze het toch nog te weten.’

‘Ja, maar heeft ze dan nog niet door...?’

‘Ik heb haar wijsgemaakt dat het Peter was. Trouwens, waar is hij? Hij moet haar naar het station brengen!’

‘Bij de vijver waarschijnlijk.’

‘Dan ga ik gauw naar hem toe. En bel jij dan even Petra’s moeder op, Mam? Zeg haar maar dat Petra blaren heeft gekregen, dat we ons niet genoeg met haar kunnen bemoeien... voor mijn part dat ze heimwee heeft, of zoiets. Als we maar op een fatsoenlijke manier van haar afkomen.’

‘Het is wel heel, heel lastig met een spook onder één dak leven,’ zei mevrouw Smit neerslachtig.

‘Ja. Maar jammeren helpt niet. We moeten iets doen!’

Monica rende naar buiten en haar moeder ging naar de telefoon. Inderdaad was Peter achter het huis bij de vijver. Het was er prachtig. De waterlelies stonden in bloei en lieten hun grote, witte bloemen zien. Het was werkelijk schitterend. Maar Monica had vandaag geen oog voor de schoonheid van de natuur. En de twee jongens, Peter en zijn vriend George, al helemaal niet. Ze hadden de oude roeiboot op de wal getrokken en omgedraaid. Nu bekeken ze zorgelijk de vermolmde bodem.

‘Als je ‘t mij vraagt,’ verklaarde Monica die achter hen was gaan staan, ‘dan zijn de planken totaal verrot en heeft het geen enkele zin de zaak op te lappen. Jullie moeten er een nieuwe bodem inzetten.’

Peter draaide zich snel om. ‘Maar niemand heeft jou wat gevraagd!’

‘Jammer! Ik dacht dat jullie een deskundige raad wel konden waarderen.’

‘Verdwijn, Rooie!’ zei George onvriendelijk..

‘Spijt me, Schorsje, ik moet Peter even hebben.’

‘Zeg het maar!’ spoorde haar broer haar aan.

‘Onder vier ogen.’

‘Geen sprake van. We zijn bezig!’

‘Zonder Pap kun je toch niets beginnen. Kom nou even, Peter!’

Ze trok haar broer aan zijn arm. Hij was drie jaar ouder dan zij en ook flink wat sterker, een sportieve, flink gebouwde jongen van twaalf jaar. In normale omstandigheden had ze hem geen centimeter van zijn plaats kunnen krijgen, maar deze keer volgde hij haar als een lammetje. Ze merkte dadelijk dat Amadeus haar hielp en moest lachen, opgelucht dat hij hier buiten was en niet binnen om Petra te plagen.

‘Wat ben je sterk!’ zei Peter, geheel tegen zijn zin onder de indruk.

‘Ik heb de hele morgen aan de gierkuil gewerkt; krijg je spieren van!’

‘Wilde je dat soms tegen me zeggen?’

‘Nee.’ Monica trok met Amadeus’ hulp Peter nog een stuk verder mee en fluisterde: ‘Petra moet weg. Amadeus wil haar niet in huis hebben. Hij spookt weer van alles uit. Als ze niet vlug vertrekt, krijgt ze er nog wat van.’

‘En wat moet ik dan doen?’

‘Haar even naar het station brengen.’

‘Waarom ik?’

‘Omdat jij haar koffer op je fiets kunt zetten. Hij is namelijk erg zwaar.’

‘En waarom kun je dat zelf niet? Het is tenslotte jouw vriendin!’

‘Omdat ik liever niet steeds tegen haar wil liegen! Jij hoeft niet met haar te praten en haar alles uit te leggen... Alleen als ze je vraagt of je dat echt met die schop gedaan hebt...’

‘Wat?’

‘Graven zonder dat je gezien werd...’

‘Maar dat kan toch helemaal niet!’

‘Amadeus wel!’

‘O, ja, natuurlijk.’

‘Dan moet je haar maar zeggen dat jij het geweest bent... voor de lol! Dat is genoeg. Anders praat je immers toch al nauwelijks met haar.’

‘Dus ik weet niet...’

‘Schiet op nu!’ Monica en Amadeus gaven Peter zo’n stevige duw, dat hij een paar meter verder terechtkwam, voordat hij doorhad wat er met hem gebeurde.

‘Zo, dat is voor elkaar.’ Monica haalde diep adem en dacht na wat er nu gebeuren moest.